Er moest een Volkswagenbusje met gereedschap naar Oekraïne, in augustus, of ik mee wilde. Ik hoefde er niet lang over na te denken en appte spontaan “ja” terug. Pas daarna kwamen de bedenkingen. Waar had ik nu mee ingestemd? Wat voor risico ging ik nemen? En waarom eigenlijk? Het journaal nauwlettend volgend werden die onrustige vragen niet getemperd. De zomerperiode lijkt voor Rusland een uitgelezen moment het offensief nog maar eens op te voeren. Toch stap ik in alle vroegte op een mooie zomerochtend begin augustus in het busje, waarmee Ralph du Long, mede bestuurslid van Sta op voor Oekraïne, me komt ophalen.
We reizen samen met drie vrijwilligers van de stichting Hope 4 Ukraine uit Friesland. Zij in een brandweerwagen die voor een organisatie in Odessa bestemd is. Ze waren de avond ervoor al vertrokken en we ontmoeten elkaar halverwege Duitsland.
Een dag later passeren we zonder problemen de Poolse grens met Oekraïne. De eerste honderden kilometers voeren door een prachtig wijds zomerlandschap van eindeloze akkers voor zonnebloemen en wuivend graan. De oorlog is hier ver te zoeken, of het moeten de billboards langs de weg zijn die oproepen om bij defensie te komen werken. Maar als we, weer een dag later, dichter in de buurt van onze bestemming komen wordt het uitzicht beklemmender. Langs de weg van de plaats waar we doorheen rijden staat een meterslange rij van foto’s van gesneuvelde militairen. Sommige akkers vertonen kraters en verbrande grond. In de stad, die we passeren, staan fabrieken en flatgebouwen als ontzielde bouwwerken….is dit het resultaat van de oorlog?
We worden ’s avonds, de avondklok is nog net niet ingegaan, hartelijk ontvangen op het “gemeentehuis” in Novovorontsovka, waar Andriy Seletskyi en zijn team ons opwachten met een rijk gevulde tafel van brood, salade en heel veel watermeloen. Het eerste wat we horen is “dat jullie durven te komen, dank jullie wel”.
Op zondagmorgen worden we meegenomen naar Chrescenivka, een klein plaatsje in de gemeente Novovorontsovka. Victor is hier de dorpsoudste. Met Pasen was hij bij ons te gast in de Jozef en vertelde hij ons hoe hij kracht putte uit zijn geloof in Christus, terwijl hij geblinddoekt in een cel zat als gijzelaar van de Russen. Hij laat ons zijn plannen zien voor de kerkelijke gemeenschap van het dorp: in het huidige gemeentehuis wil hij de kerk vestigen én allerlei zaaltjes geschikt maken voor ontmoeting. Want dát hadden hij en Andriy gezien in Assen: kerk zijn betekent niet alleen op zondag de eredienst vieren, maar ook door de week er voor elkaar en de wereld zijn.
Om 10 uur worden we in de kerk ontvangen, met dezelfde woorden als de avond ervoor: “dat jullie durven te komen, dank jullie wel”. Na de liederen waarin de schoonheid van Oekraïne wordt bezongen en de troostvolle overdenking van de pastor, zijn wij uit Assen aan de beurt. We hebben wat kleine geschenken bij ons én een eeuwenoude Statenbijbel uit het familiebezit van Ralph. “Deze bijbel heeft al heel wat oorlogen meegemaakt, maar ook tijden van vrede”, is onze boodschap uit Assen. De woorden komen direct binnen. De Bijbel wordt aangeraakt, alsof de vrede, waar zo naar verlangd wordt door deze dappers, vermoeide, veerkrachtige Oekraïense mensen, binnen handbereik kan zijn. Het maakt diepe indruk op ons, dat we, ondanks alle taal- en cultuurbarrières, verbonden mogen zijn door en in die oude Bijbel. Het is nóg belangrijker dan de hulpmiddelen die we konden brengen.
De oorlog is nog lang niet voorbij. Hoe belangrijk blijft het dat we iedere zondag de kaars in onze kerk aansteken!
Helene van Noord
